Luisteren
Lezen
De vorige keer hoorden we hoe de Filistijnen de ark van God hadden gestolen. Ze dachten dat ze de oorlog hadden gewonnen. Maar toen gebeurde er van alles. Allemaal nare dingen. Het beeld van hun god Dagon viel om. De mensen werden ziek en iedereen maakte zich zorgen. De Filistijnen werden bang. Wat moesten ze nu doen?
De leiders van de Filistijnen kwamen bij elkaar. “Die ark,” zeiden ze, “die ark moet weg”. “Wij kunnen hem hier niet houden.” Het brengt ongeluk. Maar hoe stuur je zo’n bijzondere ark terug? Ze besloten een nieuwe wagen te maken. Voor die wagen spanden ze twee koeien. Koeien die nog nooit eerder een wagen hadden getrokken. Daarna zetten ze de ark op de wagen. En toen wachtten ze af. Wat zou er gebeuren? Als de koeien zomaar ergens heen zouden lopen, of terug naar de andere koeien, dan wisten de Filistijnen niet zeker of al die problemen wel echt van de God van Israël kwamen. Maar als de koeien meteen naar Israël zouden lopen, dan zou dat een teken zijn.
Toen lieten ze de koeien los. En weet je wat er gebeurde? De koeien liepen meteen de goede kant op. Recht naar Israël. Zonder van de weg af te gaan. Alsof iemand hen de weg wees. De Filistijnen keken hun ogen uit. Nu wisten ze zeker dat God dit had gedaan.

In Israël waren boeren aan het werk op hun land. Ineens zagen ze in de verte een wagen aankomen. Toen ze beter keken, herkenden ze de ark. De ark was terug! Wat waren de mensen blij. Eindelijk was de ark weer thuis. Ze dankten God. Maar het volk moest nog steeds iets leren. De ark was natuurlijk heel bijzonder, maar God was nog veel belangrijker. Ze moesten niet vertrouwen op de ark. Ze moesten vertrouwen op de Heer.
Jaren gingen voorbij. Samuël werd ouder. En overal waar hij kwam, vertelde hij hetzelfde. “Kom weer terug bij God. Vertrouw weer op Hem. Doe de afgodsbeelden weg. Luister naar de Heer.” Steeds meer mensen luisterden. Ze wilden weer dicht bij God leven. Ze deden hun afgodsbeelden weg. Ze begonnen weer tot God te bidden. Op een dag riep Samuël het volk bij elkaar in Mizpa. Daar kwamen heel veel mensen samen. Ze gingen samen bidden. Ze vertelden God dat ze spijt hadden van hun verkeerde keuzes. Ze wilden weer met Hem leven.
Maar toen ze daar bij elkaar waren, kwam er slecht nieuws. De Filistijnen waren weer onderweg. Er dreigde weer oorlog. De Israëlieten werden bang. Maar dit keer deden ze iets anders dan vroeger. Ze zeiden niet:
“Laten we de ark halen!” Ze bedachten ook geen slim plan. In plaats daarvan zeiden ze: “Samuël, bid voor ons.” En dat deed hij. Samuël bad tot de Heer. En God luisterde.
Toen de Filistijnen dichterbij kwamen, liet God een enorme donderslag horen. De Filistijnen schrokken. Ze raakten in verwarring. Niemand wist meer wat hij moest doen. Toen hielp God de Israëlieten dus wel en ze wonnen de strijd. Niet omdat ze zo sterk waren. Niet omdat ze zo slim waren. Maar omdat God hen hielp.
Na de overwinning pakte Samuël een grote steen. Hij zette die op een bijzondere plek neer. Daar gaf hij die steen een naam: Eben-Haëzer. Dat betekent: “Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen.” Elke keer als de mensen die steen zagen, herinnerden zij zich wat God had gedaan. Dat Hij trouw was geweest. Dat Hij voor hen had gezorgd. En dat ze altijd op Hem konden vertrouwen.

Samuël bleef nog vele jaren leider van Israël. Hij hielp het volk. Hij sprak namens God. En de mensen hadden veel respect voor hem. Want iedereen wist: Samuël luisterde naar God. En God was met hem. En weet je wat we van dit verhaal kunnen leren? De Israëlieten dachten eerst dat de ark hen zou helpen winnen. Maar uiteindelijk ontdekten ze iets veel belangrijkers. Niet de ark had hen geholpen. En ook niet een slim plan dat mensen hadden bedacht. Nee, het was God. God had hen geholpen. Want God is sterker dan welke vijand ook. En Hij zorgt voor de mensen die op Hem vertrouwen.
