Luisteren
Lezen
De vorige keer hoorden we hoe God in de nacht tot Samuël sprak. Samuël was eigenlijk nog maar een kind, maar God had hem toch al uitgekozen om aan de mensen te vertellen wat Hij wilde zeggen. Samuël groeide op en steeds meer mensen merkten dat God met hem was. Maar in die tijd luisterde lang niet iedereen naar God. Vandaag luisteren we naar een spannend, maar ook verdrietig verhaal.
In die tijd waren de Filistijnen een van de grootste vijanden van Israël. En op een dag brak er oorlog uit. Israël ging tegen de Filistijnen vechten. De soldaten waren er klaar voor en ze wilden natuurlijk winnen. Maar het liep helaas anders. De Filistijnen waren sterker en veel Israëlitische soldaten werden gedood.
Toen de strijd voorbij was, vroegen de leiders zich af: “Waarom hebben we verloren?” “Wat moeten we anders doen om te winnen?” Maar in plaats van God te vragen wat ze moesten doen, bedachten ze zelf een plan. Een plan met de ark. De ark was die bijzondere kist die in de tabernakel stond, dat weet je vast nog wel. De ark moest de Filistijnen bang maken. Het plan leek misschien heel slim, maar dat was het helemaal niet. “Laat de ark van God naar het legerkamp komen!” zeiden de soldaten. Toen de ark in het legerkamp aankwam, begonnen de soldaten luid te juichen. Ze juichten zó hard dat het leek alsof de grond ervan trilde. De Filistijnen hoorden het zelfs in hun eigen kamp. “Wat gebeurt daar?” vroegen ze geschrokken. Toen ze hoorden dat de ark van God was aangekomen, werden ze eerst inderdaad erg bang. Maar daarna zeiden ze tegen elkaar: “Kom op! We moeten dapper zijn!”

De volgende dag begon de strijd opnieuw. De Israëlieten waren er zeker van dat ze nu zouden winnen. De ark was nu bij hen, toch? Maar ze maakten een fout. Ze dachten dat de ark hen zou helpen. Ze waren vergeten dat ze op God moesten vertrouwen. Alsof die bijzondere kist hen zomaar kon redden. Zo werkt het niet. God wil dat mensen op Hem vertrouwen. Niet op een voorwerp.
Toen de strijd weer begon, renden de soldaten over het veld. En weer verloren de Israëlieten. Deze keer was het nog erger. Nog meer soldaten werden gedood. En toen gebeurde het allerergste: de Filistijnen namen de ark van God mee. Ze namen hem mee naar hun eigen land. Oh wat erg, de ark van God was gestolen! Hoe moest dat nou nog goedkomen.
Ook Hofni en Pinehas, die twee zonen van Eli die nooit naar God luisterden, waren meegegaan om te vechten. En tijdens de strijd werden ook zij gedood. Eli was al een oude man geworden. Hij zat bij de stadspoort te wachten. Onrustig. Bezorgd. Hij wilde weten hoe het met het volk ging. Toen kwam een boodschapper bij hem. De boodschapper was naar Eli toe gerend om hem het verdrietige nieuws te vertellen. “Wat is er gebeurd?” vroeg Eli.
De man haalde diep adem. “Israël heeft verloren.” Eli schrok. “Veel soldaten zijn gedood.” Eli werd stil. “Ook uw zonen Hofni en Pinehas zijn gestorven.” Wat verdrietig moet dat voor Eli zijn geweest. Zijn zonen hadden natuurlijk veel verkeerde dingen gedaan, maar het waren wel zijn kinderen.
En toen kwam ook het laatste bericht er nog bij. De boodschapper zei: “En de ark van God is gestolen.” Toen Eli dat hoorde, schrok hij zo erg dat hij achterover van zijn stoel viel. Niet lang daarna stierf hij.
Zo gebeurde dat, wat God eerder al aan Samuël had verteld. Het was een verdrietige dag voor Israël. De Filistijnen waren erg blij natuurlijk. Heel trots namen ze de ark mee naar de tempel van hun eigen god Dagon, een beeld dat voor de Filistijnen heel belangrijk was. Voor de Filistijnen moest dat een groot feest zijn geweest. Ze waren ervan overtuigd dat zij hadden gewonnen. Maar ze hadden één ding nog niet begrepen. De God van Israël laat Zich niet verslaan. Die nacht gebeurde er iets bijzonders en de volgende ochtend kwamen de priesters van Dagon de tempel binnen. Daar zagen ze iets vreemds. Heel vreemd. Hun grote beeld van Dagon lag plat op de grond. Recht voor de ark van God. Alsof het een buiging maakte. Geschrokken zetten ze het beeld weer overeind. Dat is vast een ongelukje geweest, dachten ze. Maar de volgende ochtend lag het beeld opnieuw op de grond. En deze keer was het beeld ook beschadigd. Nu werden de Filistijnen echt bang. Wat gebeurde hier? Waarom gebeurde dit? Zou de God van Israël dan toch machtiger zijn dan ze hadden gedacht?

En daar bleef het niet bij. In de stad gebeurden ook allerlei nare dingen. Mensen werden ziek. Iedereen maakte zich zorgen. De mensen werden bang. Daarom stuurden de Filistijnen de ark gauw naar een andere stad. Maar daar gebeurde precies hetzelfde. En dus stuurden ze de ark weer verder weg naar andere steden. Maar telkens kwamen er problemen. Steeds meer mensen werden bang. Steeds meer mensen riepen: “Wij willen die ark hier niet hebben!” Uiteindelijk waren de Filistijnen het zat. Ze waren bang geworden voor de macht van God. Maar wat moesten ze nu doen? Moesten ze de ark teruggeven? En hoe moesten ze dat dan doen?
