Luisteren
Lezen
In het eerste deel van Ruth hoorden we hoe Naomi en Ruth samen in Bethlehem aankwamen. Ze waren arm. Ze waren verdrietig. Maar ze waren samen. En God had een plan.
Naomi en Ruth woonden in een klein huisje aan de rand van de stad. Ze hadden bijna niets te eten. Ze hadden honger. Op een ochtend keek Ruth naar Naomi en zei: “Naomi, ik ga eten zoeken. Naomi keek haar bezorgd aan. “Hoe ga je dat doen?” Ruth glimlachte. “Ik ga naar de graanvelden. Misschien mag ik de aren oprapen die op de grond vallen. Dat mogen arme mensen doen, toch?” In die tijd mocht dat inderdaad. Als de boeren hun graan oogstten, bleef er altijd wat liggen. Dat bleef er liggen voor de arme mensen. Voor wie geen land had en voor wie hulp nodig had.
Naomi knikte. “Ga maar. Maar Ruth… wees voorzichtig. Je bent een vreemdeling hier. Niet iedereen is vriendelijk.” Ruth glimlachte zacht. “God gaat met mij mee. En ik kom terug. Met eten.”
Ruth liep naar buiten. Ze liep de stad uit, de velden in. De zon kwam net op en kleurde de lucht roze en goud. Het zou weer een warme dag worden. Ze zag mannen in de verte werken. Ze sneden het graan en vrouwen bonden bundels bij elkaar. Ruth liep naar de rand van het veld. Ze bukte zich en raapte voorzichtig de aren op die op de grond lagen. Ze werkte hard. Het was zwaar werk. Haar rug deed pijn, maar ze stopte niet. Ze dacht aan Naomi. “Ik doe dit voor haar,” fluisterde ze.

Op een heuveltje naast het veld stond een man te kijken. Een rustige man met vriendelijke ogen. Hij heette Boaz en het veld was van hem. Boaz kwam dichterbij en groette zijn knechten. Hij zei: “De HEER zij met jullie.” “De HEER zegene u!” antwoordden de mannen vrolijk. Toen zag Boaz Ruth. Hij keek even verbaasd en vroeg toen aan een van de knechten: “Wie is die vrouw daar?” De knecht zei: “Dat is Ruth. Ze is met Naomi uit Moab gekomen. Ze werkt hard hoor, ze is hier al de hele ochtend. Ze heeft bijna niet gerust.”
Boaz liep naar Ruth toe. “Goedemorgen,” zei hij vriendelijk. Ruth schrok en keek op. “O… goedemorgen, meneer.” “Luister eens,” zei hij vriendelijk. “Je mag hier blijven hoor. Blijf maar op mijn veld werken. Blijf dicht bij mijn knechten, dan ben je veilig. En als je dorst hebt, drink dan maar van het water dat zij hebben gehaald.”
Ruth keek hem verbaasd aan. “Maar… waarom bent u zo vriendelijk voor mij? Ik ben een vreemdeling.”
Boaz glimlachte. “Ik heb gehoord wat je allemaal voor Naomi doet, hoe trouw je bent. Hoe je alles hebt achtergelaten om voor haar te zorgen. Dat is bijzonder. Je bent welkom hier.”

Ruth boog haar hoofd. “Dank u… echt.”
Toen het middag werd, riep Boaz: “Kom hier, Ruth. Eet met ons mee.” Ruth zat tussen de arbeiders. Ze kreeg brood. Ze kreeg geroosterd graan. Ze kreeg meer dan genoeg. Ruth glimlachte dankbaar en at langzaam. Ze voelde zich veilig. Toen ze weer aan het werk ging, zei Boaz zacht tegen zijn knechten: “Laat haar extra aren oprapen en laat expres extra graan vallen. Dat is voor Naomi en voor haar. En zorg dat niemand haar lastigvalt.”
Aan het eind van de dag had Ruth een enorme zak vol graan. “Wat veel!” fluisterde ze verbaasd. Ze sjouwde hem mee naar huis. Naomi keek met grote ogen. “Ruth! Waar heb je dit allemaal vandaan?” “Ik mocht werken op het veld van een man die Boaz heet,” zei Ruth. “Hij was heel vriendelijk.”
Naomi’s ogen begonnen te glinsteren. “Boaz?” zei ze. “Dat kan geen toeval zijn. Hij is familie van ons. Een goede man. Misschien… misschien gaat God iets moois doen.” Ruth keek haar nieuwsgierig aan. “Wat bedoelt u?” Naomi schudde haar hoofd. “Dat vertel ik later wel. Eerst eten.”
Die nacht lag Ruth wakker. Ze dacht aan Boaz. Aan zijn vriendelijke stem. Aan hoe hij haar had beschermd.
Zou God dan echt een plan voor ons hebben?, dacht ze. En ja… God had een plan. Een heel bijzonder plan.
En ondertussen… gebeurde er iets in Boaz’ hart.
