Luisteren
Lezen
Het volk Israël was heel erg zenuwachtig. Wat was het allemaal spannend! Eindelijk waren ze bij het land dat God lang geleden aan Abraham had beloofd. Wat een reis hadden ze achter de rug: weg uit Egypte, door een hete, droge woestijn, en nu… nu stonden ze bij de grens van Kanaän. Het beloofde land! Maar er was één probleem.
Tussen de mensen en dat mooie land lag een grote rivier: de Jordaan. De Jordaan was geen rustig beekje. Nee, het water stroomde hard en diep. Er was geen brug, geen boot. Hoe moesten al die mensen – met kinderen, tenten, dieren en al hun spullen – veilig aan de overkant komen?
Kun jij het je voorstellen? Duizenden mensen, allemaal aan de oever, aan de rand van de rivier, turend naar dat snelstromende water. Sommigen fluisterden: “Misschien moeten we wachten tot het water minder hoog staat…” Maar God had een ander plan.
Hij zei tegen Jozua, de leider van het volk: “Laat de priesters met de ark vooropgaan. Als zij in het water stappen, zal het water stoppen.”
De ark was die heilige kist die heel bijzonder was. De ark liet zien dat God heel dichtbij was. De priesters tilden de ark op hun schouders en liepen naar de rivier. Iedereen hield de adem in. Zou het echt gebeuren?
En ja hoor! Zodra de priesters hun voeten in het water zetten, gebeurde er iets ongelooflijks. Het water stopte! Het bleef gewoon stilstaan, alsof iemand een enorme deur dichtdeed. Heel ver weg, bij een stad die Adam heette, hoopte het water zich op. De rivierbodem werd droog. Het volk kon er zomaar doorheen lopen! De mensen keken hun ogen uit. “Wow! Hoe kan dit?!” fluisterden ze tegen elkaar. Maar ze wisten het antwoord: God had geholpen!

De priesters bleven midden in de rivier staan, met de ark op hun schouders, tot iedereen veilig aan de overkant was. Stel je dat eens voor: duizenden mensen, kinderen die renden, dieren die in rijen liepen en daar stonden de priesters, stil en stevig, op het droge in het midden van de rivier.
Toen iedereen veilig aan de overkant was, zei God: “Pak twaalf stenen uit de rivier, één voor elke stam. Leg ze op een grote stapel.” Waarom?

Zodat iedereen later kon zeggen: “Kijk, deze stenen komen uit de Jordaan! Ze herinneren ons eraan dat God ons heeft geholpen.” Jozua zei: “Als jullie kinderen later vragen: ‘Waarom liggen die stenen daar?’ vertel dan dit verhaal. Vertel hoe sterk en goed onze God is!”
Die nacht sliepen ze in de plaats Gilgal, vlakbij Jericho. Daar deed God nog iets belangrijks. Hij wilde dat iedereen ook echt liet zien dat de mensen bij Hem wilden horen. De mannen kregen een speciaal teken – ze werden besneden, net zoals God dat ook al tegen Abraham had gezegd. Daarna vierden ze een groot feest: het Pascha! Ze aten samen en dachten terug aan hoe God Zijn volk uit Egypte had bevrijd.
En weet je wat? Vanaf die dag kwam er geen manna meer uit de hemel. Weet je nog wat manna was? Dat was het speciale brood dat God elke dag gaf in de woestijn. Dat hoefde nu niet meer. Nu konden ze gewoon eten van het land. Het was echt een nieuw begin!
Maar… er was nog werk te doen. Er waren in het beloofde land veel steden die ze moesten veroveren. Jericho was de eerste. Spannend!
Op een dag liep Jozua helemaal alleen rond, net buiten het kamp. Hij dacht diep na. Daar in de verte lag de stad Jericho. Een stad met muren zo hoog en dik dat je er niet eens overheen kon kijken. “Hoe moeten we die stad ooit veroveren?” vroeg Jozua zich af.
Opeens zag hij iets. Een man! En niet zomaar een man. Hij had een enorm zwaard in zijn hand. Jozua stapte dapper op hem af en riep: “Ben je aan onze kant, of hoor je bij de vijand?” De man keek hem recht aan en zei: “Ik ben de leider van Gods leger.”
Jozua wist meteen: dit is geen gewone man. Dit is een boodschapper van God! Hij knielde diep en zei: “Wat wilt U dat ik doe?” De man antwoordde: “Trek je schoenen uit, want je staat op heilige grond.” Jozua deed het meteen. Hij wist het nu zeker: God is hier. Hij zal ons helpen!
