Luisteren
Lezen
We hebben al veel verhalen over Mozes verteld. Mozes die het volk van God vanuit Egypte naar de woestijn bracht. In Egypte waren de mensen slaven geweest en nu waren ze vrij. Nu waren ze op reis. Op reis naar een land dat God hun had beloofd. Maar eerst moest alles goed voor elkaar zijn.
God sprak met Mozes. “Mozes,” zei Hij, “tel alle mannen die kunnen helpen als er gevaar komt.” Dus Mozes en zijn broer Aäron gingen aan de slag. Ze liepen langs alle stammen van Israël. Dat zijn eigenlijk grote families, allemaal afstammelingen van de twaalf zonen van Jakob. Ken je ze nog? Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Issaschar, Zebulon, Gad, Aser, Jozef en Benjamin. Jozef was al lang geleden gestorven in Egypte, maar zijn zonen Menasse en Efraïm telden mee als aparte stammen.
Mozes en Aäron telden en telden… en raad eens hoeveel mannen er waren? Meer dan 600.000! Dat zijn echt heel veel mensen!

Iedere stam kreeg een eigen plekje in het kamp om hun tenten neer te zetten. In het midden stond een heel bijzondere tent: de tabernakel. Dat was het huis van God! Daaromheen stonden alle andere tenten, netjes verdeeld. De Levieten, mensen uit de stam van Levi, mochten dicht bij de tabernakel wonen. Zij zorgden voor alles wat met God te maken had. Ze hielpen bij de offers, zongen liedjes voor God en droegen de heilige spullen.
En toen gebeurde er iets wonderlijks… Een wolk kwam boven de tabernakel hangen. Als de wolk bleef hangen, bleef het volk op die plek. Maar als de wolk omhoog ging, wist iedereen: “We gaan weer verder!” Zo liet God hen weten wanneer ze moesten reizen.
Op een dag klonk er een trompet. Dat was het teken: “Pak je spullen, we gaan!” De mensen volgden de wolk, door de hete, droge woestijn. De zon brandde, het zand was heet en er was weinig water. Maar God was bij hen, elke stap van de weg.
En toch begonnen de mensen weer te mopperen. “We zijn moe! We hebben honger! Waarom moesten we Egypte verlaten?” Ze dachten terug aan het lekkere eten daar: vis, komkommers, pompoenen, uien, knoflook… Mozes werd verdrietig. Hij bad tot God: “Ik kan dit niet alleen. Help me alstublieft.”
God luisterde. Hij zei: “Mozes, kies zeventig wijze mannen. Zij zullen je helpen.” En dat deed Mozes. Gelukkig hoefde hij nu niet meer alles alleen te doen.
Maar het volk bleef klagen, vooral over het eten. Ze kregen elke dag manna van God – dat was dat brood uit de hemel, weet je nog? Het smaakte een beetje zoals koekjes met honing. Lekker toch? Maar nee, ze wilden vlees. “In Egypte hadden we zoveel lekkers!” riepen ze.
God hoorde het en werd nu echt boos. Hij stuurde kwartels – kleine vogeltjes – om te eten. Maar er kwamen er zóveel, dat het hele kamp vol zat met die vogeltjes! De mensen aten en aten… maar ze waren niet dankbaar. Sommigen aten zoveel dat ze ziek werden. Sommigen gingen zelfs dood. Wat jammer dat ze niet blij waren met wat ze kregen.
Toen gebeurde er iets verdrietigs. Mozes’ broer Aäron en zijn zus Mirjam spraken heel slecht over Mozes. Ze vonden het eigenlijk maar niks dat Mozes de baas was over het volk. Ze waren jaloers. “Waarom is Mozes zo speciaal?” vroegen ze. Maar God zei: “Mozes is mijn trouwe dienaar. Hij luistert naar mij als geen ander.” God was weer teleurgesteld en werd ook weer boos. Mirjam werd toen ziek. Ze werd melaats. Melaatsheid was een erge ziekte, haar huid werd wit als sneeuw. Iedereen schrok. Ook Mozes natuurlijk. Mozes riep: “O God, genees haar alstublieft!”

Mirjam moest zeven dagen buiten het kamp blijven, helemaal alleen in de woestijn. Het hele volk kon zien dat God Mirjam een straf had gegeven. Na zeven dagen maakte God Mirjam gelukkig weer beter. Het volk had op haar gewacht, ze waren niet verder op reis gegaan. Pas toen Mirjam weer terug was, gingen ze weer op reis. En zo trokken ze verder, door de woestijn. God wees de weg. De mensen leerden dat het belangrijk was om op God te vertrouwen. Dat ze dankbaar moesten zijn en dat ze goed moesten luisteren. De reis duurde nog lang, maar ze waren nooit alleen.
